Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

Polder Demmerik bestaat uit twee delen: polder Oukoop en polder Groot Wilnis Vinkeveen Oost. Polder Oukoop is een agrarisch gebied met een totaal oppervlak van ruim 370 ha. Van dit oppervlak is circa 3 % verhard (wegen, daken etc.) en ruim 13 % open water (voornamelijk smalle watergangen). Een heel klein deel van het gebied (in het noorden ten westen van de A2) valt onder het gebiedsconvenant GWV (zie Bijlage I voor de begrenzing van het gebiedsconvenant). De sloten in polder Oukoop zijn erg smal (gemiddeld ruim 3 m breed) en ondiep (gemiddeld 30 cm). De waterbodem bestaat ofwel uit klei, ofwel uit stevig veen met een relatief groot aandeel anorganisch materiaal (klei). In dit gebied is in het verleden klei afgezet door overstromingen van de rivier de Vecht. De kleiafzettingen vanuit de Vecht reiken ongeveer tot aan polder Oukoop: verder naar het westen is niet of nauwelijks klei afgezet en bestaat de bodem overwegend uit veen. Hiermee wijkt Oukoop qua bodemsamenstelling duidelijk af van de andere polders van GWV. Polder GWV oost is een agrarisch gebied met een totaal oppervlak van 596 ha. Van dit oppervlak is circa 4 % verhard (wegen, daken etc.) en 12 % open water (voornamelijk smalle watergangen). Het noordelijk deel van EAG-2 valt onder het gebiedsconvenant GWV. De sloten in GWV oost zijn gemiddeld ruim 5 m breed en circa 40 cm diep, en bevinden zich op een veenbodem.
Polder Demmerik (NL11_2_10) heeft watertype “gebufferde laagveensloten” (M8) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 108 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
2501-EAG-1 (Polder Oukoop en Polder Groot Wilnis-Vinkeveen (oost), Oukoop), 2501-EAG-2 (Polder Oukoop en Polder Groot Wilnis-Vinkeveen (oost), Polder Demmerik)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Utrecht en gemeente(n) De Ronde Venen en Stichtse Vecht. Het waterlichaam Polder Demmerik heeft de status KRW waterlichaam en is in eigendom van particulieren, Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor veensloten (M8), met scores voor macrofauna, waterflora en vis in het groen.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –ontoereikend
De toestand in Polder Demmerik (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is ontoereikend. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Macrofauna.

In het voorjaar (tot en met april) worden hoge algenconcentraties gemeten (ruim boven de 50 µg chlorofyl-a/l). Vermoedelijk betreft dit diatomeeën. Op veel locaties groeien geen waterplanten. Kroos en flab zijn echter zelden dominant en de hoeveelheid algen is in de zomer redelijk laag, maar vertoont soms een bloei. De visstand is soortenrijk, maar de totale visbiomassa is laag. Limnofiele soorten en snoek zijn aanwezig, maar niet in grote aantallen. Het aandeel bodemwoelende vis (brasem en karper) is bovendien nihil. De totale visbiomassa is met ruim 14 kg/ha echter zeer gering en veel lager dan de visbiomassa die mogelijk is bij dit watertype. Hierbij valt op dat er nauwelijks grote vis is aangetroffen, met uitzondering van grote zeelt (meer dan de helft van de totale visbiomassa bestaat uit grote zeelt). Mogelijk indiceert dit zuurstofloosheid (door een geringe waterdiepte). De score op de maatlat Waterflora vertoont een positieve trend (0.15 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een negatieve trend (-1.15 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Deze trend is gebaseerd op twee meetjaren. De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.14 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Deze trend is gebaseerd op twee meetjaren. Zowel stikstof als fosfor vertonen tussen 2006 en 2019 een licht dalende trend (vooruitgang).

Oorzaken op hoofdlijnen
Op veel locaties groeien geen of nauwelijks ondergedoken waterplanten, maar zijn ook kroos of flab niet dominant aanwezig. Op slechts enkele locaties komen woekerende waterplanten met een hoge bedekking voor. Deze toestand is niet goed te rijmen met de voorwaarden: de belasting is niet te hoog en het doorzicht voldoet voor de groei van waterplanten. De habitatgeschiktheid (ESF 4) vormt mogelijk een knelpunt door de aanwezigheid van een dikke sliblaag waardoor vestiging van waterplanten wordt bemoeilijkt. De waterdiepte is wel toegenomen en zal in de meeste watergangen geen belemmering meer vormen. Nieuwe aanwas van bagger door algen, oeverafkalving en mogelijk ook door veenafbraak in de waterbodem en omliggende percelen belemmert het herstel.

Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn gericht op het verminderen van de belasting met voedingsstoffen, bijvoorbeeld door het verminderen van meststofverliezen. In het gebied is de afgelopen jaren, mede vanuit het lopende gebiedsconvenant, ingezet op maatregelen ter verbetering van de ecologische waterkwaliteit, vooral op ecologisch slootschonen, mestvrije zones en baggeren. Verder richten de maatregelen zich op het verbeteren van de habitatomstandigheden door water op diepte te brengen en houden en door natuurvriendelijker te onderhouden.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water vormt soms wel en soms geen probleem. Zeer plaatselijk is er te veel kroos, dit is een teken van een te hoge belasting. In polder Oukoop is de biodiversiteit buiten de hoofdwatergang hoger dan in de rest van het gebied. In de polder is er alleen een lichte algenbloei in het voorjaar. De belasting met fosfaat is over het algemeen lager dan de kritische fosfaatbelasting. De belasting wordt vooral veroorzaakt door uitspoeling vanuit percelen en door inlaat (een klein deel van deze inlaat is nodig het voor peilbeheer van beide EAG’s binnen GAF2501, het grootste deel van de inlaat wordt gebruikt voor doorspoelen).
esficon Lichtklimaat vormt lokaal een probleem: op sommige plekken wel en op andere plekken niet. Op vrijwel alle locaties was sprake van bodemzicht in polder Oukoop en Demmerik. Lokaal, waar het water dieper is, is het lichtklimaat beperkt door algen, flab en/of kroos.
esficon Productiviteit bodem vormt mogelijk een probleem. Op veel plaatsen ligt bagger. Metingen die zijn gedaan in 2011 geven aan dat de bodem redelijk voedselrijk is, maar er is op een aantal plekken gebaggerd. Aangenomen kan worden dat de samenstelling niet gunstig is voor de aanwezigheid en/of de soortensamenstelling van waterplanten.
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem omdat de waterdiepte vaak te gering is. In ruim 20 % van de onderzochte watergangen was de waterdiepte minder dan dertig cm. De ondergrond in polder Oukoop is vrij stevig en bestaat uit klei, of uit veen dat relatief veel klei bevat. Hierdoor is de waterbodem en de oever steviger, waardoor de watergangen minder gevoelig zullen zijn voor verondieping door slibvorming, oeverafkalving of veenafbraak. Desondanks ligt op alle locaties een sliblaag van 5 à 80 cm (gemiddeld 30 cm). Dit kan een knelpunt vormen voor de groei en ontwikkeling van ondergedoken, wortelende waterplanten. In ruim 1/3 deel van polder Demmerik was de waterdiepte minder dan 30 cm. In het kader van het gebiedsconvenant GWV zijn recentelijk (na 2014) veel watergangen gebaggerd. In augustus 2016 is de waterdiepte opnieuw gemeten. Hierbij zijn over de hele slootbreedte één tot vier metingen verricht, waarmee vervolgens de gemiddelde slootdiepte is bepaald. In GWV oost zijn 108 locaties bemonsterd. Op 14 % hiervan is de gemiddelde diepte kleiner dan 30 cm, op 20 % is de gemiddelde diepte tenminste 50 cm. De gemiddelde diepte in polder Demmerik bedraagt 42 cm.
esficon Verspreiding vormt geen probleem. De doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen.
esficon Verwijdering vormt een probleem. Plaatselijk is er te weinig oever- en submerse vegetatie, dit duidt op te intensief onderhoud en/of begrazing door vee en/of vraat door kreeften en ganzen.
esficon Organische belasting vormt geen probleem. Er zijn geen aanwijzingen voor problemen door een hoge organische belasting.
esficon Toxiciteit vormt geen probleem. Er zijn geen aanwijzingen voor een probleem met de toxische druk van het water.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en WGP Groot Wilnis Vinkeveen.

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en Waterdiepte op maat. De maatregel is relevant voor dit waterlichaam, omdat veel watergangen eigendom zijn van agrariërs en grenzen aan agrarische percelen. Precisiebemesting, bodemverbetering en routemaatregelen (bufferzone) zijn maatregelen die opgenomen zijn in agrarische beheerpakketten, investeringssubsidies. We gaan samen met de landbouw een nieuwe stimuleringsregeling voor bovenwettelijke maatregelen nutriënten faciliteren. Vrijwillige maatregelen worden geagendeerd door een watermakelaar en gepresenteerd in studieclubs. Op https://maatregelen-op-de-kaart.nmi-agro.nl/ kan per perceel worden opgezocht welke maatregelen het best uitvoerbaar en nuttigst zijn. Wij zijn regionaal uitgegaan van de goede landbouwpraktijk (GLP) in 2027. De uitworp uit een landbouwpolder neemt daardoor 10% af, voor een belangrijk deel door een grotere retentie door een grotere waterdiepte (meer slootonderhoud) en een afname van meststofverliezen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Maatregelen in de landbouw om oeverafkalving tegen te gaan Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer. Bijvoorbeeld door bufferzones en slootranden met diepwortelende vegetatie; er is overlap met pakketten ten behoeve van nutriëntenreductie. Deze maatregel heeft ook invloed op productiviteit bodem (ESF3) en habitatgeschiktheid (ESF4). Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer, Groot Wilnis-Vinkeveen Zuid, Polder Demmerik, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, Mijdrechtse Bovenlanden, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts Ankeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Ster en Zodden, Maarsseveense Zodden en omgeving, Molenpolder en Westbroek Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
esficon SGBP3 2021-2027 Stimuleren van verdiepen watergangen in gehele polder Demmerik Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Waterdiepte op maat. Inschatting is dat vrijwel het gehele ondiepe areaal op diepte kan worden gebracht. In de praktijk kan het zijn dat dit niet mogelijk is (door loopzand, instabiliteit oevers of opbarstrisico’s).Voordat de maatregel kan worden doorgevoerd moeten bronnen van baggeraanwas en de snelheid waarmee er opnieuw bagger ontstaat voldoende bekend zijn. Mogelijk moet ook erosie door vis worden verminderd. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Natuurvriendelijk onderhoud en baggeren van lijnvormige secundaire watergangen Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en de subsidieregelingen: bijvoorbeeld afrastering slootkanten, drinkbakken voor veedrenking, minder frequent maaien, beheerpakketten ‘baggerspuiten’ en ‘ecologisch slootschonen’ Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Toepassen van ecologisch onderhoud en baggeren van hoofdwateren Natuurvriendelijk onderhouden is meestal gericht op niet méér verwijderen dan noodzakelijk is. Dus het beheer aanpassen als er te weinig vegetatie is zodat flora en fauna zich kunnen herstellen. Bij alle hoofdwatergangen van ons gebied is beoordeeld welke uitvoeringsmethode we kunnen en willen uitvoeren. In veel watergangen kan 25% van de vegetatie blijven staan. Vanwege ruimtegebrek is het niet mogelijk om overal 25% te sparen. Deze maatregel is opgenomen voor alle waterlichamen waar dit relevant is. Bij het baggeren zal, waar mogelijk, de oevervegetatie worden gespaard en bij de uitvoering zal worden gekozen voor meer natuurvriendelijke technieken Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Natuurvriendelijk onderhoud van lijnvormige secundaire watergangen: instrumenteel De Keur laat gebiedsgericht minder frequent schonen toe; implementatie gebeurt in bestuurlijk vast te stellen uitvoeringsprogramma’s onderhoud. Deze maatregel is voor meerdere waterlichamen relevant. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Opsplitsing van Vaarten Ronde Venen en uitbreiding met deelgebieden 2501-EAG-1 en 2. Dit waterlichaam is uitgebreid omdat de toestandsbepaling bij de voormalige begrenzing geen representatief beeld gaf van de ecologische kwaliteit. Er werd gerapporteerd over het minst representatieve gedeelte van de polder. Het belangrijkste argument voor de voorgestelde wijzigingen is vergroten van de transparantie: wanneer er over de toestand in de gehele polder wordt gerapporteerd zijn verbetering of achteruitgang beter te zien. De begrenzing van een geheel afvoergebied is de basis voor de herbegrenzing van dit KRW waterlichaam. Binnen het afvoergebied zijn soms deelgebieden (EAG`s) met ander watertype en/of zeer afwijkende drukken en toestand. Deze zijn niet of als apart waterlichaam begrensd binnen een afvoergebied.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet) in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.